De kleine monarchvlinder is een vlindersoort waarbij veel variatie aanwezig is in het kleurpatroon van de vleugels. In één gebied in Afrika is het kleurpatroon gekoppeld aan het geslacht. Onderzoekers hebben aangetoond dat deze koppeling wordt veroorzaakt door een chromosoommutatie én een bacterie.
Van de kleine monarchvlinder (Danaus chrysippus) zijn vier ondersoorten bekend (D. c. alcippus, D. c. chrysippus, D. c. dorippus en D. c. orientis), die in Afrika en delen van Azië voorkomen. In Oost-Afrika overlappen de leefgebieden en kunnen de vlinders zich onderling voortplanten.
Alleen in deze contactzone (het omlijnde gebied in afbeelding 1) blijkt het kleurpatroon van de voorvleugels gekoppeld te zijn aan het geslacht. Bij de kleine monarchvlinder wordt het kleurpatroon van de vleugels bepaald door drie genen:
- gen A op chromosoom 4
- gen B op chromosoom 15
- gen G op chromosoom 15
Deze drie genen coderen voor de intensiteit van de oranje kleur (donker of licht), voor een zwarte vleugeltip op de voorvleugel (groot of klein) en voor een witte vlek op de achtervleugel (wel of geen). In de afbeelding is het oranje deel van de vleugels met licht- of donkergrijs aangegeven.
Drie fenotypen zijn:
- een grote zwarte vleugeltip op de voorvleugel
- een witte vlek op de achtervleugel
- een donker oranje kleur
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter door welk allel het betreffende fenotype wordt bepaald. Kies steeds uit Aᵀ, Aᵁ, B, b, G of g.

Voor nakijken en persoonlijke tips van de AI-docent: Maak een foto van jouw antwoord of type het in.



