Treinwielen

Opgave 3 (vraag 13 t/m 16) uit eindexamen Natuurkunde VWO 2023 tijdvak 2

Vraag A
[C] Beweging en wisselwerking[C1] Kracht en beweging[Systematische Natuurkunde] H6: Cirkelbewegingen
3p

Een trein blijft nooit precies in het midden van het spoor rijden. Er is ruimte tussen de wielen en het spoor waardoor de trein enigszins heen en weer kan slingeren. Om te voorkomen dat treinen ontsporen zijn de wielen als volgt ontworpen: 1 Beide wielen zitten vast aan dezelfde as. De wielen en de as vormen een star geheel. 2 Beide wielen hebben een conische vorm: de diameter van het wiel is aan de binnenkant groter dan aan de buitenkant. Zie figuur 1.

Een as die zich niet precies in het midden van het spoor bevindt zal door deze constructie van de wielen tijdens het rijden vanzelf terug naar het midden bewegen. In figuur 2 is een schematisch bovenaanzicht van de treinwielen weergegeven op verschillende tijdstippen (a t/m e)(a \ t/m \ e). Op tijdstip aa staat de as uit het midden. Even later is de as enigszins geroteerd en beweegt richting het midden van het spoor. Zie tijdstip bb. Vervolgens schiet de as een stukje door, zie tijdstip cc, waarna aan de andere kant hetzelfde effect optreedt. De trein gaat dus een slingerende zijwaartse beweging uitvoeren. Hij "waggelt" een beetje over het spoor. Men noemt deze golfbeweging de sinusloop.

Leg uit hoe de ontwerpkenmerken 1 en 2 er samen voor zorgen dat een rijdende trein de sinusloop van figuur 2 zal uitvoeren.

Figuur 1 bij vraag 13 van opgave Treinwielen (Natuurkunde VWO 2023)
Figuur 2 bij vraag 13 van opgave Treinwielen (Natuurkunde VWO 2023)

Voor nakijken en persoonlijke tips van de AI-docent: Maak een foto van jouw antwoord of type het in.

Vraag B
[H] Natuurwetten en modellen[Systematische Natuurkunde] H1: Basisvaardigheden
2p

Voor de golflengte van de sinusloop geldt de formule van Klingel:

λ=2πdr02γ\lambda=2\pi\sqrt{\frac{d r_{0}}{2\gamma}}

Hierin is:

  • λ\lambda de golflengte van de sinusloop in m
  • dd de afstand tussen de twee spoorrails in m
  • r0r_{0} de gemiddelde straal van het wiel in m, dus gemeten in het midden van het loopvlak
  • γ\gamma de wielbandconiciteit

De wielbandconiciteit is een maat voor het verschil tussen binnen- en buitendiameter van een wiel.

Toon aan dat de wielbandconiciteit geen eenheid heeft.

Voor nakijken en persoonlijke tips van de AI-docent: Maak een foto van jouw antwoord of type het in.

Vraag C
[B] Golven[B1] Informatieoverdracht [Systematische Natuurkunde] H9: Trillingen en Golven
3p

In Nederland gelden de volgende gegevens: Treinen rijden meestal met een snelheid van 140 km/h140 \text{ km/h}. De afstand tussen twee spoorrails is 1435 mm1435 \text{ mm}. De waarde van de wielbandconiciteit is 0,0500,050. De gemiddelde diameter van een treinwiel is 95 cm95 \text{ cm}.

Toon aan dat de periode van de sinusloop bij deze snelheid 0,42 s0,42 \text{ s} is.

Voor nakijken en persoonlijke tips van de AI-docent: Maak een foto van jouw antwoord of type het in.

Vraag D
[B] Golven[B1] Informatieoverdracht [Systematische Natuurkunde] H9: Trillingen en Golven
3p

Om in de wagon geen last te hebben van oneffenheden op het spoor zijn er veren geplaatst tussen de wagon en de wielen. We kunnen het geheel benaderen als een massa-veersysteem. Zie figuur 3.

Bij een bepaalde snelheid gaat het massa-veersysteem resoneren met de sinusloop. Om comfortabel te rijden bij een snelheid van 140 km/h140 \text{ km/h} wordt de totale veerconstante van de veren zo gekozen dat het massaveersysteem een eigentrilling heeft die sterk afwijkt van 0,42 s0,42 \text{ s}.

Voor het massaveersysteem van de wagon met wielen geldt: mwagon=21,5⋅103 kgm_{wagon}=21,5\cdot10^{3} \text{ kg} Ctotaal=1,0⋅105 N m−1C_{totaal}=1,0\cdot10^{5} \text{ N m}^{-1}

Bereken de snelheid waarbij resonantie optreedt.

Figuur 1 bij vraag 16 van opgave Treinwielen (Natuurkunde VWO 2023)

Voor nakijken en persoonlijke tips van de AI-docent: Maak een foto van jouw antwoord of type het in.

Antwoordmodel

Volgende opgave: Wervelstroomrem →